Bagger
Op de flyer: Paul Adama (l) en Boy Hazes (r)
Vormgeving: Herman de Jongh
Fotografie: Ben Hansen
Bagger speelt zich af op een aandeelhoudersvergadering in het voorjaar van 2001. De stokoude directeur Hans Stellenbosch die al enige decennia het bedrijf S.B.G. met vaste hand heeft geleid moet verontruste aandeelhouders toespreken. Ze zijn woedend want ze hebben veel geld soms zelfs hun hele pensioen gestoken in het bedrijf dat nu verkwanseld dreigt te worden.
Stellenbosch zelf kan niet omgaan met het begrip aandeelhouders. Aandeelhouders in wat? Voor hem is het bedrijf nog steeds zijn eigendom. Hij heeft er een veel grotere prijs voor betaald dan die je af kunt rekenen met geld alleen. Maar hij is oud en hij verkeert in de mist van zijn ouderdom. De spoken uit zijn verleden hebben de macht over zijn gedachten overgenomen en hij kan dus niet beheersen dat in zijn toespraak hij gedwongen wordt om terug te gaan naar de eerste grote groei van het bedrijf.
En zo komt hij ze weer tegen... vooral Grootpa Stellenbosch, de aartsvader van het bedrijf. Dat was een man die over lijken ging als het op zaken doen aankwam. Sterker nog, voor hem telde slechts het bedrijf en was al het andere ondergeschikt. Hij vernederde zijn personeel als dat moest, en hij stelde zijn gezin en zijn gezinsleven als prooi ten dienste van de winst.
Bagger begint met een korte monoloog van Hans Stellenbosch als hij de aandeelhoudersvergadering toespreekt:
Wie zal er om ons ooit een traan laten?
Huilen,
huilen doet men om veenwerkers
in een Drentse plaggenhut,
om een ongeneselijk kind
aan teveel infusen dat de nacht niet haalt,
armoede die het meisjeslijf verkoopt
voor stuivers van een stinkende man.
Daar zijn mooie verhalen over te vertellen.
Maar wij, we waren klootzakken.
Hufters waren we, niet eens aardige hufters.
Dat is ook het centrale thema van het stuk. Het is een studie naar mensen, en vooral naar hun monsterachtige gedrag. Hoewel Hans Stellenbosch oud als hij de vergadering toespreekt, maar een jonge man in zijn herinneringen absoluut geen engeltje is, en min of meer fungeert als de verteller in het stuk, is de centrale figuur vanzelfsprekend Grootpa.
Het was de uitdaging om van hem een allesbehalve sympathieke figuur te maken en ondanks dat toch zijn karakter driedimensionaal te maken. Ik wilde begrijpen hoe iemand in staat kon zijn om alles (en werkelijk alles) op te offeren voor zijn bedrijf. Grootpa vermoordt in het stuk min of meer eigenhandig zijn eigen zoon, hij onterft een andere zoon, hij vernedert zijn vrouw, hij verwekt een kind bij zijn schoondochter en hij laat niets heel van de eerzaamheid van het bestaan.
Dit gaf me een fascinerend probleem. Hoe kun je als schrijver tot de ziel van zo'n personage doordringen als je ook nog eens besluit om niet de meest voor de hand liggende instrumenten te gebruiken. Immers, je kunt zo'n figuur een psychologie meegeven die al zijn handelen verklaart. Een kwelling waardoor je begrip krijgt voor zijn afschuwelijke daden. Dit nu wilde ik niet... het was me te gemakzuchtig.
Zo'n personage moet je derhalve rücksichtslos schrijven. Je mag geen enkele terughoudendheid hebben ten opzichte van zijn handelen en zijn denken. Maar je moet je wel invreten in de logica van wat hij doet, er moet een levend en driedimensionaal karakter uit voortkomen. Per zin, per dramatische wending moet je de verantwoording nemen van wat de man doet. Of dat gelukt is, is aan het publiek om te beoordelen.
Het stuk verwijst openlijk naar Hamlet. Hans is in het stuk de Prins van Denemarken, een rijk waar er iets aan het rotten is. Zijn moeder heeft de broer van zijn vader getrouwd. Zijn vader is vermoord vanwege de macht. Er is zelfs een doodgraversscene en in Lideweij - en in haar vlechten van kruiden - herkennen we Ophelia. Toch wijkt het plot af van Shakespeare, vooral omdat wij de figuur van Grootpa hebben geïntroduceerd, die op zich ook weer een Shakespeariaans karakter is: een soort King Lear, maar ook een soort MacBeth.
Openlijk is ook de verwijzing naar de magistrale film Citizen Kane van Orson Welles die destijds precies hetzelfde uitgangspunt had: een onderzoek naar een personage dat niet op voorhand al sympathiek is en wiens drama we toch als onderwerp van een stuk (of een film) kunnen maken. Minder openlijk zijn de stukken van O'Neill en Norèn die ik heb gelezen om mezelf te inspireren, te bemoedigen en te ontmoedigen en in ieder geval om mezelf ervan te doordringen dat de dialoog allure moest hebben.
Dick van den Heuvel
Medewerkers
tekst: Dick van den Heuvel
regie: Edo van Dijken
regie-assistentie: Carline Hansen
decor: Carla Pieters, Eva van der Meer, Ronald Vogel en Roel Steinvoorte
kostuums: Sally Dyer, Hetty Schmitz, Josje Timmers en Ineke Veenhoven
requisieten: Boudenwijn Timmers
geluid: Rico Tijsen en Ben Hansen
licht: Mico van Zalingen en Herman de Jongh
produktie: Fred Zurel
publiciteit: Aimée Mars en Babs Schipper
vormgeving flyer: Herman de Jongh
fotografie flyer: Ben Hansen
scène fotografie: Anne Lucchiari
Foto's (Anne Lucchiari)